'Sjeezus, ben je nou nóg dikker geworden?'
'Bedankt mam, dat was precies waar ik op zat te wachten, zo’n opmerking. Ongelooflijk.'
'Wat nou? Ik ben je moeder. Als niemand anders zegt dat je op de kilo’s moet letten, wie doet het dan?'
'Eh?! De rest van de wereld?! Je bent mijn móeder. Die zou haar dochter juist moeten steunen en dus niet een zelfcomplex aan moeten praten. Wat kun je toch onwijs lullig zijn!'

'Nou, ik vind dat je bent aangekomen en dat je op dieet moet. Ik heb je vijfenveertig jaar geleden van top tot teen gebaard, dus ik mag dat soort dingen tegen je zeggen.'
'Ga je nou gewoon door?! Nou, als je het zo nodig wilt weten, die ‘enorme’ vetrollen heb ik van jou geërfd. Misschien dat je niet meer goed kunt zien met die ouwe ogen van je, maar je mag zelf ook wel ‘ns wat minder rotzooi in je grote mond proppen. En mam, als je de rest van de dag de nare trut gaat uithangen, kun je mooi oprotten'
Ik sta in mijn onderbroek in een pashokje van de WE met een jurk in mijn handen. Maar aan passen kom ik niet toe. Al zo’n vijf minuten volg ik de ruzie van Moeder en Dochter in het hokje naast mij. Het is jammer dat ik ze niet kan zien. Nu moet ik er zelf een beeld bij verzinnen en dat loopt bij mij altijd uit de hand. Voor me zie ik een kordate
no nonsens Moeder, met zo’n gekortwiekt kapsel, kritisch opgetrokken wenkbrauwen en geen blad voor d’r mond. Dochter heeft vast een vettige sliertencoupe met uitgroei, wallen tot aan d’r kin en een afdruk van haar moeders duim op haar achterhoofd. Over de precieze omvang van de vetrollen ben ik niet zeker, maar ik vermoed een vervelende nasleep van een geboorte of drie, troostvreetbuien, een overdadige kerst en een dwangmatig oud en nieuw (waarom bakken we vijftig oliebollen terwijl we er na vijf al misselijk zijn?! Maar ze moeten op, hoor je me? OP!).
Winkelen met je moeder… gaat dat bij iemand zonder kibbelarij? Mijn moeder en ik hebben een zeer goede band met elkaar, maar als wij shoppen, draait het veelal uit op geërgerd gezucht, geïrriteerd gekibbel en een moegestreden ‘laten we maar gewoon ergens een kop koffie drinken en dan naar huis gaan.’ De irritatiefactor ligt vooral bij het tempo waarop alles gebeurt, hoewel klagen over ongemakken ook niet bijdraagt. Treuzelen, obsessief twijfelen en zeuren 'dat het label jeukt', 'mijn tieten hier raar in uitkomen', 'mijn kont een soort dienblad lijkt in deze verder zo leuke broek', 'laten we verder gaan, ik stik van de hitte in deze winkel', 'kunnen we in hemelsnaam lunchen, ik heb honger als een paard', 'moet jij ook plassen? Ik moet echt heel nodig' en 'waarom eindig ik toch altijd met zwart, terwijl ik voor meer kleur ging?'. We beginnen fris en eindigen totaal afgepeigerd, voorlopig genezen van het concept 'gezellig winkelen'.
Denkend aan mijn moeder, terwijl die troela’s naast mij nog stééds ongegeneerd ruziën over hun vetrollen, besef ik dat zij en ik eigenlijk zo erg nog niet zijn. Ik heb haar nog nooit iets lulligs horen zeggen over mijn lijf, hooguit een goedbedoelde opmerking. Die vielen weleens pijnlijk verkeerd, maar ach, ik zeg ook weleens iets bots wat ik eigenlijk constructief bedoel. De schokkende lulligheid in het pashokje naast me laat me realiseren wat ik heb. Inmiddels gehuld in het jurkje pak ik m’n telefoon en druk op 'mama'. 'Hoi mam, met mij. Ik sta hier in de WE te dubben over een jurk en vraag me af of mijn heupen hier wel goed in uitkomen. Heb je zin om zaterdag samen te winkelen? Dan kun je je mening geven. Ja? Leuk! Dan trakteer ik jou op de lunch.'
Ik heb er nu al zin.