12
De Kater
Regendruppels tikken tegen de ramen, buiten zijn de buren in de weer met een parasol die maar niet inklappen wil. Grijs daarbuiten, leeg hierbinnen. Het is de day after. Het oranje verdampt in de straten.
De ‘2010-generatie’ is geboren. Daar hoor ik ook bij. Als ik later met mijn kleinkinderen voor de haard zit, dan vertel ik over toen. Over Arjen die iets hoger had moeten mikken, over Maarten die ons in de race hield met katachtige reddingen. Over Bert, en over hoe professioneel hij wel niet was.
Over de bloedhete zomerweken, de parels op het voorhoofd op de pleinen. De dagen dat we uren achtereen keken naar ziekenhuisballen bij Engeland tegen Algerije, blunderende keepers, gekleurde supporters, een kontknijpende Maradona en Alfons Groenendijk optredend als volleerd analyticus bij de NOS.
Dan vragen mijn kleinkinderen naar de finale. Daar gaat het om. Wij praten ook niet over de groepsfase in 1974, maar blijven juist doorzeuren over de tergende schuiver uit de heup van Gerd Müller. En ja, dan vertel ik dat Nederland nèt niet goed genoeg was. Of ik zeg dat de Engelse scheidsrechter Howard Webb de wedstrijd verkrachtte. Of ik zeg dat Joris Mathijsen wat lager had moeten koppen. Wat maakt het uit.
Nu hebben we een kater. Niet van de alcohol, maar van verlies. Verbijsterde mensen turen ontgoocheld in de verte. Een natte oranjemuts in de vorm van een leeuwenkop ligt op de kille stenen, verloren. De eigenaar van deze muts zal ‘m vast hebben weggesmeten. En daarna een wegwerpgebaar.


