01
Lijvig Madrid
De middag is pas net ontloken. In geurende eettentjes bulderen mannen met snor en stoppelbaard. Er wordt gedronken, een omhelzing bij de ingang. Madrid in het najaar.
Het metrostation Atocha verfijnt ongepolijst het uitzicht. Aan de top van de koepelvormige hal wappert de Spaanse vlag. Het rood en geel, met het bekende wapen van Spanje waarin de voormalige koninkrijken, nu landsdelen, zijn vertegenwoordigd. Op 11 maart 2004 vonden op achthonderd meter van dit station de terreuraanslagen plaats waarbij 191 mensen om het leven kwamen.
In het vliegtuig op weg naar de Spaanse hoofdstad praat ik met een advocaat. Hij verteld dat hij in Madrid gestudeerd heeft en begint over bar ‘El Tigre’ (vertaling: de Tijger), volgens hem een leuke studentenaangelegenheid. Het blijkt te kloppen. In amicale sfeer vullen jolige studenten zich met bier en tapas: snel, lekker, goedkoop.
De stad leeft. Uitgaanscentra zijn in trek, men doet zich tegoed aan de geneugten des levens. Op straat is het gemoedelijk. Kroegbazen lachen, tappers rijden hun karren met drank stoep op en af. Het Spaans weerklinkt, scherp en geraffineerd. Voorbij de stoplichten lopen jongeren in uitgezochte kleding. Modieus, haren in het vet, zwarte brilmonturen.
In kraampjes met toeristenprullaria kosten posters met stierengevechten maar een paar euro. De verkoper houdt apathisch een paar castagnetten omhoog, een typisch Spaans instrument van twee hardhouten schelpen die met een touwtje om de vingers worden gespannen en zo worden bespeeld. Ik heb geen interesse, de verkoper kijkt weg.
Mijn vriendin en ik kuieren over Plaza Mayor, Gran Vía en door schilderachtige straatjes. In de etalages hangen hompen vlees. Madrid is vlezig. Ook op de markt van San Miguel kom ik als doorkneed carnivoor aan mijn trekken. Wijnen worden rijkelijk geschonken, van de zwijnenpoot worden door de slager ambachtelijke lapjes geschaafd. Hij heeft een twinkeling in zijn ogen, ik lach, hij ook, zijn bruine tanden goed zichtbaar.


